Zijn rode jas daar aan de kapstok, leer
ruikt altijd zo lekker, ’t is zo vertrouwd
die geur. Ik herinner mij nog die keer
dat wij hem samen kochten. Hij al oud.
Het kopen van die jas, wij deden dat
in Rotterdam. Ja, net als vroeger, wij
gingen samen naar die vertrouwde stad,
“naar de mart” - zo zei hij dat- ik en hij.
Soms, als ik hem aantrek, voel ik hem weer
en steeds opnieuw voel ik me klein daarbij.
Nadat het porselein gebroken was,
’t lag helemaal in stukken op de grond
behalve ’t lelijke kopje Brabants bont,
kwam de olifant,
eindelijk,
uit de kast
De nachten koud,
de dagen kort.
de lindeboom,
die gister geurde:
steeds minder blad.
En in het zwart
de sterren,
steeds meer.
Nog even:
Winter!
Hoog in de lucht drijven wolken van licht.
De oude pessimist kijkt omhoog
hij ziet het blauw, het wit, de zon
en zelfs een regenboog!
Een schaduw valt over zijn gezicht.
‘De wolken worden zwaarder’, zegt hij
‘in het westen wordt het al donker,
nog even en de zomer is voorbij’.
