Dwarrelen is heerlijk
Dwarrelen is fijn
Dwarrelen is leven
Dwarrelen is zijn
De wind blaast door de bomen
‘t Is herfst, nu gaan de bladeren los
Een kleurenpracht die regent
Dit is een regenbomenbos!
Dwarrelen is heerlijk
Dwarrelen is fijn
Dwarrelen is leven
Dwarrelen is zijn
De zon schijnt op de takken
Tovert groen en geel en rood
Bomen die een feestje geven
Een herfstbos dat het leven showt
Dwarrelen is heerlijk
Dwarrelen is fijn
Dwarrelen is leven
Dwarrelen is zijn
Buiten draag ik graag een hoedje
Als bescherming tegen zon en wind
Dat is belangrijk ja, want anders moet je
Misschien wel binnenblijven vrind
Bescherming? Dat kan de wind niks schelen
Die blaast en rukt en trekt mijn hoedje los
De oude Boreas wil met mijn hoedje spelen
En blaast hem rollend richting donker bos
Ik rep rap achter mijn hoedje aan
Maar telkens als ik hem bijna pak
Spant Boreas zich extra aan
En blaast mijn hoedje verder weg, die zak!
De wind lacht terwijl ik huil
Dat hoort toch andersom te wezen?
Nu rolt mijn hoedje in een diepe kuil
Voor zijn vorm valt veel te vrezen
Ik klim de kuil in, vol goede moed
Maar glij plotsklaps naar beneden
Mijn lijf doet pijn, maar de strijd is wel gestreden
Want ik beland er plettend bovenop: mijn hoed!
De dagen vertragen
Terwijl het licht verzacht
Laat zon, wind- en regenvlagen
De dagen vertragen
Bladeren de boom uitjagen
In bossen vol kleurenpracht
De dagen vertragen
Terwijl het licht verzacht
De mist trekt op en de zon begint te schijnen
Koolmeesjes komen naar de voederplank
De heggenmusjes blijven bescheiden op de grond
De meesjes maken acrobatische capriolen
Zoals meesjes dat nu eenmaal doen
De zaadjes op het plankje vliegen in het rond
Als het zachtjes begint te regenen
Is het voederplankje vrijwel leeg
De heggenmusjes zoeken voedsel op de grond
Dat ik naast hem zat en hij voor zich keek
Zonder woorden vertelde hij toch veel
Er bleef iets hangen achter in mijn keel
Twee mensen, zomaar midden in de week
‘Wil je nog wel verder nu?’ Vroeg ik zacht
Daar moest hij in stilte even over denken
Ik kon verder niets - alleen aandacht schenken
Hij keek op en hervond iets van zijn kracht
Een glimlach verscheen op zijn zacht gezicht
‘Laten we het nog maar proberen’, zei hij toen
Het was midden in het winterseizoen
De nachten lang, de dagen kort van licht
Zo dicht tot elkaar zijn wij toen gekomen
Dat wij opnieuw van lente konden dromen!
